HOME  |  Inwoners  |  Verward gedrag  |  “Mijn buurman is geen doorsnee buurman”

“Mijn buurman is geen doorsnee buurman” (21-07-2020)

Regina den Besten-de Pauw is oud maar kwiek. Je zou haar geen 92 jaar geven. “Ik ben een echte Harderwiekse,” zoals ze zelf zegt. Met haar buurman kan ze het goed vinden, al is het geen doorsnee buurman. “Af en toe hebben we een flauwekulletje samen.”

Op haar 89e zat mevrouw Den Besten voor het eerst in het vliegtuig voor een vakantie in Spanje. Ze gaat nu nog steeds graag weg, maar ze zoekt het dichter bij huis “want ik spreek de taal daar niet.” Vanaf haar bank in de woonkamer kijkt ze uit op een basisschool. Ouders die hun kinderen aan de hand hebben, de ogen op hun telefoonscherm gericht. “Aan mobieltjes doe ik niet hoor.” Liever maakt ze kruiswoordpuzzels.

In haar wijk wonen niet veel ouderen. Toen het huisje naast haar leeg kwam, hoopte ze dat er een echtpaar in zou komen. “Dat is wel gezellig toch? Dan heb ik wat aanspraak. Nu ben ik ook maar alleen.” Ze komt uit een groot gezin van elf kinderen. Haar zes eigen kinderen wonen allemaal in Harderwijk en ziet ze veel. Haar man is zeven jaar geleden overleden. Hij werkte bij de banketbakker en was later kok in het leger. Ze mist hem nog altijd. En de koekjes die hij bakte. “Als hij in de keuken rommelde, was hij in zijn element.”

Huisje, boompje, beestje

De nieuwe buurman woont er nu een halfjaar. “Hij kan heerlijk lachen. Met zijn mond wijd open. Overdag werkt hij in de eendenkooi. Eieren rapen en hokken uitmesten, dat soort dingen doet hij. En twee keer in de week komen ze bij hem thuis om te helpen met koken. Zijn huis is netjes hoor. Al zitten de gordijnen dicht en komt hij niet op zolder of in de schuur. Alleen de tuin bijhouden doet hij niet. Hij heeft nog niet eens een hark. Ik zeg weleens ‘je moet de tuin doen. Wij houden toch ook alles netjes?’”

Mevrouw Den Besten is niet bang uitgevallen. “Ik ben van huis uit gewend hoe je omgaat met jongens zoals de buurman. Mijn vader heeft 42 jaar op de zorginstelling ’s Heerenloo gewerkt. Hij was daar schilder. Vijf jongens hielpen hem altijd. De ladder dragen, verf roeren, noem maar op. En met regelmaat kwamen ze bij ons thuis. Dat was dik een half uur lopen vanaf de instelling – toen mocht dat nog, zo van het terrein af. Dan maakten we samen muziek thuis. De één speelde prachtig blokfluit, de ander kon zingen. Al die jongens hebben een gave.” Wat de gave van de buurman is? Dat weet ze nog niet.

In haar achtertuin bloeien de bloemen uitbundig. Haar schoondochter verzorgt de tuin met liefde. “Ik zit graag achter in de tuin. Als ik daar zit, dan komt hij erbij zitten. Dan praten we wat. Vragen zoals leeft je vader nog?’’ Soms maakt ze zich zorgen om hem: “Hij heeft een poes, maar hij is verder maar alleen. Hij had wel vrienden, maar dat waren slechte vrienden. Ze plaagden hem en gebruikten drugs. Daarom moest hij verhuizen. ‘Gebruik jij ook drugs?’ vraag ik hem. Dat moet je maar niet meer doen, zeg ik dan. Want dat is slecht voor je. En het kost veel geld.” Ook zijn voorkeur voor alcohol ontgaat haar niet: “Hij houdt wel van bier. Maar een kalf dat goed zuipt, eet niet goed. Dus ik zeg tegen hem dat hij niet te veel moet drinken.”

Grondig tuinonderhoud

Laatst was ze een dag weg met haar dochter. De buurman was onverwachts aan de slag in zijn eigen tuin: “Ik kwam thuis en wat denk je: alle planten waren tot de grond toe gesnoeid, niets meer van over. En wat echt erg was; een geknipt gat in de heg. De volgende dag heb ik bij hem aangebeld. ‘Wie heeft dat gedaan?’, vroeg ik, ‘het is geen gezicht zo!’ Van de week kwam hij nog bij me: ‘Buurvrouw, bent u nog kwaad op mij?’ Nee, kwaad was ik niet. Maar ik vond het niet leuk.”

Eenden en honden

“Ik heb hem wel eens een mooi vest gegeven dat van mijn man is geweest. En met zijn verjaardag wat tabak. Daar was hij zo blij mee!” Een voorbeeld van zo’n ‘flauwekulletje’ dat ze onderling hebben, is het beeldje van een eend. De eend kwaakt als je op een knopje drukt. Met pretogen vertelt ze hoe ze het beeldje liet kwaken toen hij langs kwam. “Omdat hij met eenden werkt.” Niet lang daarna kwam hij bij haar aan met een stenen hondje. Hij had gezien dat zijn hondje precies past bij het hondje dat al bij haar in de vensterbank staat. Ze staan nu gebroederlijk naast elkaar in haar woonkamer. “’Hou jij ‘m maar, zei hij tegen me, ‘anders is ‘ie zo alleen.’”